5. Voormontage
5.10 Tandriemvergrendeling (optie) en besturing verbinden
- Kabel tandriemvergrendeling (1) op de besturing (2) insteken.
- Kabel tandriemvergrendeling (1) door de kabelhouder naar de tandriemvergrendeling (optie) (3) leggen, eventueel afkorten, strippen en geïsoleerde adereindhulzen aanbrengen.
- Tandriemvergrendeling conform bedradingsschema aansluiten.
5.11 Transformator-aarding monteren
Exacte informatie over de positionering van de afzonderlijke componenten kunt u vinden in de aandrijvingstekening.
Afhankelijk van de aandrijvingslengte 1 of 2 aardingspunten monteren (zie aandrijvingstekening):
- Naast de moduledrager links (zie afbeelding)
- Bij langere aandrijving aanvullend op het looprailuiteinde
- Vlakke apparaatstekker (1) met de meegeleverde schroef (2) en de tandschijven (3) aan de looprail schroeven (draaimoment 3,5 Nm).
- Aardingsleiding (4) van de transformator met vlakke apparaatstekker (1) verbinden.
5.12 Accu en besturing verbinden
- Niet in het gebied van beweegbare delen grijpen.
- Controleren of de accu-kabel (1) lang genoeg is.
- Evt. accu-verlengkabel op de accu-kabel steken.
- Accu-kabel (1) naar de besturing leggen.
- Stekker in besturing steken.
6 Apparaatsveiligheidscontrole en productietest
- Apparaatveiligheidscontrole volgens EN 60335-1 bijlage A uitvoeren.
De apparaatveiligheidscontrole bestaat uit de volgende delen:
- Aardleidingscontrole met 10 A-teststroom
- Isolatiesterktecontrole (hoogspanningscontrole) met 1000 VAC
Daarvoor is het gebruik van een voor deze norm geschikt testapparaat noodzakelijk.
Verloop van de controle
- Netaansluitkabel met netstekker op transformator aansluiten.
- Netstekker in testapparaat steken.
- Controle op testapparaat starten.
- Met de sonde na elkaar alle met aardleiding verbonden metalen delen controleren.
Daarbij wordt telkens tussen de PE-leiding van de netkabel en van het door de sonde aangeraakte deel de laagohmige verbinding gecontroleerd.
Met de sonde minstens de volgende testpunten aanraken:
- Metalen hoek transformator
- PE-aansluiting op de secundaire zijde van de transformator (aansluitblokje)
- Looprail (blanke, niet geanodiseerd punt)
- Vlakke apparaatstekker voor aardaansluiting transformator
- Optioneel 2e vlakke apparaatstekker voor aardaansluiting kap
Alle aardleidingsverbindingen moeten een weerstand van minder dan 0,1 Ω hebben.
- Vervolgens isolatiesterktecontrole (hoogspanningscontrole) op het testapparaat starten.
Er mogen uitsluitend aandrijvingen met een afgesloten apparaatveiligheidscontrole in gebruik worden genomen. Het resultaat van de apparaatveiligheidscontrole moet samen met het serienummer van de aandrijving aantoonbaar gedocumenteerd worden. Na de apparaatveiligheidscontrole de vlakke apparaatstekker van de aardaansluiting niet meer van looprail losmaken.
- Productietest uitvoeren zoals beschreven in het aansluitschema Automatische schuifdeuren DCU1-NT/DCU1-2M-NT.
6.1 Kabel losmaken
Het losmaken van de kabels vergemakkelijkt de montage van de looprail ter plaatse.
- Accu-kabel aan de besturing losmaken en voor het transport borgen.
- De kabel van de tandriemvergrendeling aan de besturing losmaken en voor het transport borgen.
- Transformator-kabel aan het aansluitblokje van de transformator losmaken en voor het transport borgen.
7. Montagevoorbereiding
Bij de montagevoorbereiding wordt de aandrijfeenheid voorbereid voor de latere montage. Voor de uitvoering van de montagevoorbereiding is de actuele aandrijvingstekening maatgevend. Alle bouwelementen moeten volgens de tekening van de aandrijving vastgelegd en gemonteerd worden.
7.1 Kap voor tandriemvergrendeling (optie) bewerken
De tandriemvergrendeling beschikt over een vergrendelingspen, waarmee de tandriem handmatig ontgrendeld c.q. vergrendeld kan worden. Voor deze vergrendelingspen moet op de kap een boorgat conform de volgende tekening geboord worden.
De positie van het boorgat moet ter plekke gecontroleerd worden. Afhankelijk van de positionering van de aandrijfcomponenten kunnen hier kleine afwijkingen ontstaan. GEZE raadt daarom aan om het boorgat pas op de bouwplaats te maken, wanneer de precieze positie van de tandriemvergrendeling bekend is.
De afmetingen voor de maat C vindt u in de bewerkingstekening van de kap.
- Boorgat met Ø 20 mm boren.
- Boorgat afbramen.
7.2 Inhangstukken monteren
7.2.1 Kap-inhangstuk monteren
- Het kap-inhangstuk (1) in het bovenste of onderste schroefkanaal van de kap (2) schuiven.
- Kap-inhangstuk (1) rechts en links met ca. 50 mm afstand van het kapeinde met 2 schroeven borgen (max. aanhaalmoment 1,5 Nm).
- Koorden (rubberkoorden) (3) in de gemonteerde inhangstukken (1) van de kap steken.
7.2.2 Zijplaten-inhangstuk monteren
- Zijplaten-inhangstuk (2) met bolcilinderschroef (3) in zijplaten (1) links en rechts schroeven (aanhaalmoment 1,5 Nm).
7.3 Kapaarding monteren
- Aan het linker einde van de kap (1) de opnamebout van de kapaarding (2) vlak in de groef van de kap (1) slaan (ca. 30 mm).
7.4 Zijplaten monteren
- Wanneer tussen looprail en zijdelingse wand weinig ruimte is, de zijplaten voormonteren.
- Borstel (2) in looprail schuiven.
- Zijplaten (3) links en rechts met 3 schroeven aan looprail (1) schroeven (aanhaalmoment 5 Nm).