Volgende sectie
Volgende pagina: →5.5 Aandrijfcomponenten monteren
5.5.1 Tandriem monteren
- Tandriem op maat maken.
- Tandriem op motorrol en omkeerrol leggen.
Let op: Indien tandriemvergrendeling aanwezig:
- Tandriem in tandriemvergrendeling inbrengen.
5.5.2 Tandriem aan meenemer monteren
- Tandriemslot (1) op tandriemuiteinden (3) zetten (3 tanden per riemuiteinde).
1-vleugelig
- Tandriemslot (1) aan meenemer (2) met schroeven (4) vastschroeven (draaimoment 6 Nm).
Dubbele vleugel
- De beide uiteinden van de tandriem (3) met het tandriemslot (1) aan meenemer (2) met schroef (4) monteren (draaimoment 6 Nm).
Het tweede tandriemslot wordt pas na instelling van de sluitstand gemonteerd.
5.5.3 Tandriem spannen
De tandriem moet met 300 N ±35 N worden voorgespannen (zie aandrijvingstekening).
- 2 schroeven (2) losdraaien.
- De motor (3) met de hand naar rechts schuiven.
- Schroef (1) openen en het geleideblokje zo verschuiven, dat tussen het geleideblokje en de motor een sleufschroevendraaier geschoven kan worden.
- Schroef (1) vastdraaien (draaimoment 10 Nm).
- Sleufschroevendraaier in de spleet schuiven en heffen, tot de tandriem is voorgespannen.
- 2 schroeven (2) vastdraaien (draaimoment 15 Nm).
5.5.4 Sluitstand instellen
Bij dubbelvleugelige deurinstallaties:
- Schuifdeur in gesloten status schuiven.
- Tweede riemslot met schroeven (3) aan de meenemer monteren (draaimoment 6 Nm).
- De stand fijn afstellen in de schuifrichting in de lange openingen (2).
- Wanneer de exacte sluitstand ingesteld is, de schroeven (1) aan beide riemsloten vastdraaien (draaimoment 6 Nm).
5.5.5 Aanslagbuffer instellen
- Draadstiften (2) op de aanslagbuffer (1) losdraaien.
- Schuifdeur in open status schuiven.
- Aanslagbuffer op loopwagen schuiven.
- Draadstiften (2) met inbussleutel vastdraaien (draaimoment 3 Nm).
5.5.6 Tandriemvergrendeling (optie) positioneren
- Schuifdeur sluiten.
- Schroeven (1) aan de tandriemvergrendeling (optie) losdraaien.
- Vergrendelingselement uitlijnen.
De vergrendelingspen (2) moet zich na montage zo in het boorgat in de kap bevinden, dat de vergrendeling kan worden ver- en ontgrendeld.
- Ruim zo nodig het boorgat.
- Schroeven (1) vastdraaien.
- Vergrendelingsgeleiding (3) zo instellen, dat de tandriem niet schuurt maar ook niet teveel lucht heeft. Daarvoor 2 schroeven (4) losdraaien, vergrendelingsgeleiding (3) verschuiven en schroeven (4) weer vastdraaien (draaimoment 5 Nm).
Tijdens de werking mag de meenemer de tandriemvergrendeling (optie) niet raken.
- Nadat de tandriem gemonteerd is, schakelpunten van de terugmeldschakelaar van de tandriem-vergrendeling (optie) controleren (klikken). Stel deze zo nodig af door de schakellippen te verbuigen.
5.6 Kabelhouder monteren
Gevaar: Kabels kunnen doorgesneden worden!
- Kabels zo leggen dat er zich geen kabels in het gebied van de beweegbare delen bevinden. Afstand kabelhouder ca. 200 mm.
- Kabelhouder (1) aan de looprail (2) bevestigen.
5.7 Tandriemvergrendeling (optie) en besturing verbinden
- De kabel van tandriemvergrendeling (optie) (1) op de besturing (2) aansluiten.
- Kabel voor de tandriem-vergrendeling (optie) leggen.
5.8 Transformator-aarding verbinden
Bij een slechte verbinding tussen aardingsconnector (3) en looprail is de looprail niet geaard.
- Controleren of de draadstiften (4) van de aardingsconnector (3) de anodiseerlaag van de looprail doorboren.
- Aardingsleiding (2) van de transformator met vlakke apparaatstekker (1) verbinden.